BLAUWE BUREN

Blauw zijn de buren die ik ken. Aan de achterkant van ons huis. In welke mate en tot hoever ik ze (wil)(mag) le(er)(en) kennen, dat weet ik niet. Wat ik wel weet is dat ik de buurt en de boel de boel voortdurend verken. Dat gaat met kleine beetjes.

Het zijn hele kleine beetjes. Soms gebeurt er iets. En vaak gebeurt er niets. En dan begint deze riedel van voren af aan. Blauw wordt wat meer blauw, beetje blauw en soms wat minder blauw.

Dan liever op m’n fiets. Op weg naar iets of eigenlijk voor niets.

De blauwe en rode buren. Gemakshalve vermeld ik van de blauwe buren alleen alle volwassenen (en dus geen kinderen want dat zijn weliswaar kinderen van de blauwe buren maar meer ook niet) en dan in willekeurige volgorde maar wel per setje: Martijn, Samantha, Riekje, Bangaly, Bianca, Gosse, Simone, Marco, Marcel, Sonia, Sandra, Patrick, Mathieu en Ellen.

Ik zie dat ik vergeten ben hier in blauw weer te geven en te noemen Jeroen en Hilke. Of het is dat zij ten tijde van dit schrijven niet meer in het Erasmuspark woonden – dat zal het zijn denk ik. De rode buren ken ik niet.

Sigarendoos met een leven vol grijs. Alleen grijs. Met 7 x 4 potjes grijs. Een privé feestje.

GRIJZE PLAATJES

Dan bestaat tijd uit mijn tijd. Die loopt uit zichzelf en ik ben dan gewoon de bij. Hier en daar en altijd wat. De kleur van bloemen, een grimas, uit verbazing, door ontsteltenis of gewoon voor even niets op weg naar dat iets. Ieder beeld doet zich gelden. En die neem ik mee. Met al die plaatjes vul ik gaatjes. Grijze gaten. Door loden platen. En dan zijn het rode plaatjes. Een kleur door en door rood en dat gaat maar door.

Dan ben ik even weg en het is lang die weg. Weg uit dit hier en dat van daar. De kleur is grijs. Met vele anderen in een sigarendoosje met 7 x 4 potjes grijs. Grijs is de verf die is blijven hangen. Ieder potje heeft zijn eigen nummer grijs. Want grijs is niet zomaar grijs. Die kleurcodering dat luistert heel nauw. Ook bij grijs. Liefst in de tint mat grijs of zijde glans maar niet glans. Dat is het niet. Niet toen. En samen vormen die 28 potjes een klein feestje. Mijn feest. In die geest.

En heel veel, heel veel halve en hele jaren later is het alleen nog rood dat ik zoek. En dan zelf maar wat maak. Een grijze vogel met een rode staart. Een grijze roodstaart papegaai. Die verheft zichzelf tot een vliegen. In geen enkel boek alleen daar voorbij de volgende hoek.

De F-16 met registratie J-252 voorzien van een rode staart met opschrift 322 40 jaar. Polley Grey is de naam van de grijze roodstaartpapegaai die als mascotte fungeert voor het 322 squadron van de Koninklijke Luchtmacht dat in 1983 haar 40-jarige bestaan vierde.
Op 16-jarige leeftijd zag ik de J-252 een vliegdemonstratie geven tijdens de Open Dag van de Koninklijke Luchtmacht op de vliegbasis Deelen op 11 juni 1983. Ook al kon ik de manoeuvres die werden verricht door de vlieger Gert “Barney” Booij toen niet goed zien en volgen, het maakte veel indruk. Even daarvoor zag ik op de grond voor het eerst een F-16 van dichtbij. Het beeld van dit toestel, de J-256, was een totale deceptie. In drie kleuren grijs, grijs en grijs. Er zat geen beweging in en stond daar doods te wezen. Onwezenlijk na de verwachting en het beeld dat ik daarvoor daarbij had gehad. Ik ben vijf jaar lang in de ban geweest van deze straaljager, dit gevechtstoestel. En als jongetje nu nog steeds maar dan anders. Nu is het even terugproeven aan de periode van toen. Polley Grey is de naam van de grijze roodstaartpapegaai die als mascotte fungeert voor het 322 squadron van de Koninklijke Luchtmacht gestationeerd op de vliegbasis Leeuwarden. 322 was het eerste squadron dat de overstap maakte van de F-104G Starfighter naar vliegen met de General Dynamics F-16. De eenheid bestond in 1983 veertig jaar en ter gelegenheid daarvan werd een toestel, de J-252 voorzien van een rode staart met opschrift 322 40 jaar.
In het vierde huis van links op de derde etage, bevindt zich een witte kat op de vensterbank. Aha! Die kwam ik al eerder tegen in DIERENAMBULANCE. Die woont dus hier. Het is die “witte grote kater, agressief naar onze katten toe en die ‘niet van hier’ is maar volgens mij van aan de overkant bij ons aan de voorkant wat toch een ander en minder mooi katten wijkje is”.

RODE BUREN

Rood zijn de buren die ik niet ken. Daar aan de overkant van ons huis aan de voorkant. Niets wezenlijks gebeurt en bij niemand iets. Rood stijf als de dood in nood. Ik ken ze niet behalve ééntje die blauw kleurt. Wat ik wel weet is dat ik de buurt en de boel de boel voortdurend verken. Dat gaat bij kleine beetjes.

BLAUWE PLAATJES

Het zijn hele kleine beetjes. Soms zie ik wat er gebeurt en noem dat iets. Dat iets is een ietsje pietsje op beeld zo klein dat het zich als een kruimel doet gelden. Dat is voor mij ook weer een feestje. Dan kan ik als een Ieniemienie zo blij en eigenwijs content zijn. Als knallend vuurwerk zo rood. En dat beetje beeld in dat kleine beeld. Dat markeer ik met een cirkeltje blauw. Dik en duidelijk. Een cirkel waar je naar kan kijken. Heel goed kijken.

En dan dus toch gebeurt er dat wat ik dacht en dat is wat ik noem dat dat iets is.

Daar aan de overkant. Die kant kleurt beetje bij een heel klein beetje blauw. Zoiets als de blauwe buren aan de achterkant die ik een beetje ken maar dan anders.

En zo voel ik me thuis in dit mooie buurtje voor een volgend avontuurtje.

Delen