We besluiten meteen de Dierenambulance te bellen. Daar krijgen we een verklaring voorgelegd, voorzien van de volgende vragen: “Zo groot als een A4’je? ✔️ Ouders in de buurt? ✔️ Ze vallen als bosjes uit de lucht rond deze tijd. De meeuwen zetten hun jongen dan aan te gaan vliegen. De natuur z’n gang laten gaan. Vrijlaten dus.”
We vertellen dat hier veel katten zitten: Snoep van ons, Karèl van Riekje, die witte van Ellen en Mathieu, die andere witte grote kater, agressief naar onze katten toe en die niet van ‘hier’ is maar volgens mij van aan de overkant bij ons aan de voorkant wat toch een ander en minder mooi katten wijkje is en dan nog dat ranke voor de duvel niet bang zijnde jonge katje van een aantal buren hier verderop. Dat katten verhaal maakt géén indruk op de telefoniste van de Dierenambulance. “Vrijlaten dus.”
De twijfel ¯\_(ツ)_/¯ slaat dan kortstondig bij ons toe.





TUSSENOPLOSSING
Meteen en zonder samenspraak met andere toegesnelde buren is er een tussenoplossing gevonden om te komen tot “Vrijlaten dus ✔️.” We zetten ‘onze’ (te) jonge zeemeeuw op het dak van één van de fietsenhokken. Dat is hier goed te volgen door de rode ster met een 2 en dan de zwarte pijl na te lopen.
Het is een kiezeldakje dat een beetje begroeid is met wat mos, wat wilde plantjes en sprietjes gras. Zo kunnen ‘onze’ katten d’r niet bij terwijl de ouders van de jonge zeemeeuw hem zo wel snel weer kunnen vinden en zien zitten. En wij ook. Met een huishoudtrap zet ik de roze transportbox op het dak van het fietsenhok. Deurtje open en daar gaat ‘ie. We zien nog net alleen z’n koppie uitsteken boven de rand van het fietsenhok. Goed kijken naar deze (te) jonge zeemeeuw op het fietsenhok. Je ziet hem maar even.
Al snel blijft de (te) jonge zeemeeuw gewoon roerloos zitten alsof ‘ie het wel best vind zo. En dan is het wachten. Zeemeeuwen vliegen ondertussen hoog, cirkelend en speurend in het rond. Het duurt voor ons te lang voordat ‘onze’ (te) jonge zeemeeuw wordt opgemerkt.