Gisteren de ontknoping. Vandaag is het ook voor mij afscheid nemen van de zeemeeuw. Ik heb niet alleen samen met anderen dit jonge beestje van heel dichtbij mee mogen maken (zie het gemaakte filmpje bij DIERENAMBULANCE – zo bijzonder!) en er samen het beste van proberen te maken met de beste bedoelingen, maar ben al schrijvende en nazoekende ook een en ander te weten gekomen over de -in dit geval- zilvermeeuw wat anders niet wekenlang onder mijn aandacht zou zijn gebleven.
Ik herken het piepen van de jongen (in de lucht) en hoe ze d’r uit (kunnen) zien (naar gelang hun leeftijd). Hoe ze piepen en welke beweging ze dan maken wanneer ze te eten willen. Ik zie aan de manier van vliegen of het een hele jonge of een wat oudere jonge zilvermeeuw is. Ik zie d’r heel veel de laatste paar weken, lopend, een beetje vliegend en best wel al goed vliegend. Schijnbaar alleen of duidelijk met ouders en broer of zus samen. Waarom ze bij ons op de daken zitten. Wat ze doen als ze nog niet kunnen vliegen. Wanneer ouders de gang d’r in zetten (zouden mensenouders ook veel meer moeten doen met hun gepamperde kinderen – zoals ook de onze). Wat ze eten, niet meer eten en wat ze in ieder geval niet lusten.

NASCHRIFT (1)
Onderstaand, voor zover ik het nu heb begrepen en met dank aan Wikipedia, Google, de Dierenambulance Den Haag, Vogelopvang De Wulp (Den Haag), wat plaatselijke nieuwsberichten en mijn eigen gedachtegang.
Veel wisten wij niet op die bewuste zondagmiddag 5 juli 2020. Op zo’n moment ga je ook niet eerst op je telefoon zoeken naar informatie onder het sleutelwoord ‘jonge meeuw’ en ‘wat te doen’. Dan bel je 112 voor dieren en dat is in Den Haag de Dierenambulance.
Op onze platte en in de zomer warme kiezel daken zitten vaak nesten met jonge zeemeeuwen. Rond deze tijd (juli) worden de jongen door de ouders gemaand zelf te gaan leren vliegen. Uitvliegen. Als je nog niet kan vliegen tuimel je bij ons zo’n 12 meter van het dak recht naar beneden ons groene hofje in. Dat zal zijn in een gebrekkige nergens op lijkende duikvlucht of het is gewoon een rare en bizarre stuntvlucht. En toch overleeft een jonge zeemeeuw dat wel. Beneden aangekomen kan het wel tot een tweetal weken duren voordat een jonge zeemeeuw heeft leren vliegen.
“Als je d’r op let zie je ze ineens overal.” Dat zei de vrijwilligster van Vogelopvang De Wulp aan de telefoon. Dat is helemaal niet zo. Of ja hoe langer het geleden is en dus hoe een langere tijd ik d’r sindsdien oog voor heb, inderdaad toch wel. Een eerste meende ik d’r laatst te hebben zien zitten voorbij het Revalidatiecentrum (Den Haag) hier 10 minuten lopend vandaan op het gras langs de grote sloot. En nu meer en meer, d’r zitten hier rondom ons hofje op de daken gewoon jonge zeemeeuwen die ik voorheen niet zag. Ze lopen ook gewoon hier rond, met hun ouders altijd in de buurt, piepend en bedelend om eten.
Sommigen zijn wat groter en ouder dan anderen. Die van ‘ons’ was echt ’te jong’ zullen we dan maar denken.
Wanneer ze nog niet of nog niet goed kunnen vliegen en dus deels, maar niet altijd, op de grond blijven, scharrelen ze in de tussentijd verdekt wat rond in de nabijheid van struiken op beschutte plekken, of in het geval ze heel jong zijn, zoals de ‘onze’, dan blijven ze het grootste deel van de tijd stil zitten – zeker weet ik dat eigenlijk nog steeds niet.
Ouders blijven op afstand maar zijn altijd in de buurt – dat is echt zo. Bij gevaar waarbij het jong staat te krijsen zijn ze snel ter plekke en komen in actie. Dat kan er heftig aan toe gaan vergezeld van (schijn)aanvallen om het jong te kunnen beschermen. Die twee weken redden de jonge zeemeeuwen zich doorgaans wel met ouders in de buurt.

NASCHRIFT (2)
Zeemeeuwen trekken steeds verder de stad in. Wij zitten op zo’n kleine 5 km bij de kust vandaan. En nu ik er op ben gaan letten, zie en hoor ik ze thuis de hele dag. Altijd. D’r is bijna géén moment dat wanneer ik naar buiten kijk géén meeuw voorbij zie vliegen of het geluid van meeuwen niet hoor. Het zou natuurlijk zo kunnen zijn dat dit vooral alleen in deze periode van het jaar zo is.
Zeemeeuwen eten in de stad vrijwel alles wat ze daar maar tegenkomen. Zoals etensresten door een vuilniszak open te pikken, patat, stukjes brood en afgekloven Domino’s pizza resten. Uit eigen ervaring weet ik dat ze in ieder geval géén fruit eten en dat is ergens jammer. Zelf vis vangen doen ze niet meer waardoor jongen ook niet meer met verse vis worden grootgebracht. Hun jongen voeden houdt dan in dat ouders braken en het jong zich tegoed doet aan een allegaartje.
Ik ben hier nu ook het verschil gaan zien of beter gezegd het is me opgevallen, tussen een zacht fladderende, in de lucht schommelend, een beetje kachelend maar toch al wel redelijk vliegende wat dikkere jong bruin met grijs gekleurde jonge zeemeeuw ten opzichte van het sierlijke vliegen en deels zweven van een volwassen zeemeeuw, die zijn ook behoorlijk wat ranker en strak grijs met wit afhankelijk van hoe oud ze zijn. Voorheen waren dat voor mij allemaal gewoon meeuwen, géén idee dat ze in relatie tot mekaar stonden. Een jonge vliegende zeemeeuw maakt hierbij ook een ander geluid, tussen piepen en krijsen in. Eenmaal op de grond piept een jonge zeemeeuw wanneer hij bij z’n ouders zit te bedelen om eten weer anders. Je moet het horen. Dan neemt hij ook een soort onderdanige maar wel dwingende houding aan lopend naar één van de ouders. En wanneer twee jongen dat van twee kanten doen, dan loopt zo’n ouder snel een stukje weg (dat deed ik bij mijn kinderen in het verleden ook wel eens – nu kan dat niet meer. Ze ruiken wanneer je aandacht voor hun onzin niet oprecht is – afijn dat is een ander onderwerp.
Tenzij d’r nog een ‘tweede’ Martien in ons Erasmuspark woont, hebben jonge zeemeeuwen, hun ouders en hun achterban, hier voortaan niets meer te vrezen. En als ik voortaan, ook in de komende jaren, hier ergens toch iemand zenuwachtig zie lopen met een katten transportbox, een kartonnen doos of wat je maar kan verzinnen ter grootte van een A4’tje en waarbij in het voorbij gaan het woord ‘jonge meeuw’ valt, dan ben ik alvast goed geïnformeerd.
Maar of dat afdoende zal zijn? Bij een ‘eerste’ Martien zou ik ook met de kennis van nu (zie hierboven) kansloos zijn geweest ‘de natuur ook in de stad zijn gang te kunnen laten gaan’. Wat doe je d’r dan tegen. Bij een ’tweede’ Martien leg ik het per definitie ook af. Die kent me geeneens, ik met een wat zachte monotone stem, aanhoudend en soms wat dwingend overkomend m’n opgedane Wikipedia kennis en ervaring ten toon spreiden werkt dan ook niet bevorderlijk voor een mogelijk spontane samenwerking er toch op een beetje leuke manier het beste van proberen te maken, in het in contact treden met een ander en in het gunnen van het beste voor een volgende ‘überhaupt nicht’ te kleine en jonge zilvermeeuw. (Bijna altijd) gewoon laten gaan!